en den ganschen hondentrein zal ik mede zenden, en ik zal hen bij het vertrek bevelen zoo ijverig mogelijk te wezen om met u het beest uit het land te jagen. "
37. Dat antwoordde hij, en terwijl de Mysiërs daarmede tevreden waren, kwam de zoon van Cresus binnen, gehoord hebbende wat de Mysiërs vroegen; en toen Cresus weigerde zijn zoon met hen te zenden, zeide de jongeling dit tot hem: „o vader, vroeger was het voor ons het schoonst en het edelst om naar den oorlog en de jacht te gaan en daar te schitteren. Nu echter hebt ge mij van beide die zaken uitgesloten, zonder eenige lafheid bij mij op te letten noch onwil. En nu, met welke oogen moet ik mij vertoonen, gaande naar den markt of van den markt. Welk een man zal ik den burgers schijnen te wezen, welk een aan mijn jonggehuwde vrouw? Met welk een man zal zij meenen gehuwd te zijn? Of dus laat mij gaan naar de jacht, of overtuig mij met bewijs, dat zóó gedaan de zaken beter voor mij zijn."
38. Cresus antwoordt met deze woorden: „o zoon, niet daar ik lafheid, noch daar ik iets anders verkeerds bij u zie, doe ik dat, maar een droomgezicht in den slaap tot mij komend zeide dat gij kort van leven zoudt zijn: want door een ijzeren speerpunt zoudt gij omkomen. Om dat droomgezicht dan heb ik uw huwelijk gehaast en zend ik u niet naar de onderneming, om te trachten, of ik u ook zoo lang ik leef aan het noodlot zou kunnen ontstelen. Want gij zijt mijn eenige zoon, want den anderen, die gebrekkig is van gehoor, acht ik niet te bestaan."
39. De jongeling antwoordt met deze woorden: „te vergeven is het u zeker, o vader, daar ge zulk een gezicht zaagt, dat ge waakt over mij. Doch wat gij niet begrijpt en wat in den droom u verborgen is gebleven,