geeft, kies ik uit allen mijn broeder." Darius vernam dit en verbaasde zich over het woord, en zond en sprak: „o vrouw, de koning vraagt u, door welke overweging gij uw man en uw kinderen achterliet, doch uw broeder koost om te blijven leven, die u toch vreemder is dan uw kinderen en minder lief dan uw man." Zij antwoordde met het volgende: „ o koning, een anderen man kan ik wel krijgen, zoo de godheid het wil, en andere kinderen, indien ik dezen verlies; doch nu mijn vader en mijn moeder niet meer leven, zal ik op geen enkele wijze meer een broeder kunnen vinden. Om die overweging nu heb ik dat gezegd." En aan Darius scheen de vrouw goed gesproken te hebben, en hij zond haar hem, dien zij gevraagd had, en nog den oudsten der zoons, uit behagen in haar; de anderen echter doodde hij allen. Van de zeven dan kwam één terstond op de gezegde wijze om het leven.
120. Ongeveer ten tijde van Cambyses' ziekte geschiedde het volgende. Door Cyrus was als satraap van Sardes Oroetas aangesteld, een persisch man. Deze verlangde naar een goddelooze daad; want terwijl hij geen beleedigend woord van Polycrates van Samos noch ondervonden noch gehoord had, noch hem vroeger gezien, verlangde hij hem te grijpen en te verderven, en, zooals de meesten verhalen, om de volgende reden. Deze Oroetas en een andere Pers, van naam Mitrobates, satraap van het gewest om Dascyleüm, zaten bij de poort des konings, en van woorden vielen zij in getwist, en toen zij kibbelden over hun dapperheid, zeide Mitrobates bitter tot Oroetas: „zijt gij een man, gij, die voor uw koning het eiland Samos, vlak bij uw gewest gelegen, niet veroverd hebt, terwijl het zoo gemakkelijk te bedwingen is, daar een der ingezetenen, met vijftien zwaargewapenden opgestaan, het won en nu het nog beheerscht?" Sommigen