Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/322

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

zóó en gij zult u zelf verhoogen, en ook mij redden. Want tegen mij zint koning Cambyses op den dood, en daarover heb ik zeker bericht. Breng gij dan daarom mij zelf en mijn schatten weg, en houd die zelfvoor een deel, voor een deel laat ze mij behouden: in uw schatten zult ge over gansch Hellas heerschen. Indien ge mij wantrouwt over mijn schatten, stuur dan hem, die u het vertrouwdste is, en ik zal ze hem toonen."

123. Polycrates dit vernemende verheugde zich en wilde gaarne; en daar hij zeer sterk naar schatten begeerde, zond hij eerst Maeandrius, zoon van Maeandrius, een der burgers, die zijn schrijver was, om te bezichtigen. Deze wijdde, niet veel tijd na die dingen, al den tooi uit het mannenvertrek van Polycrates, zéér bezienswaard, in den tempelvan Hera. Doch Oroetas vernemende, dat de opzichter verwacht werd, deed het volgende. Acht kisten vulde hij met steenen, behalve zeer weinig onder de randen, en boven op de steenen wierp hij goud, en hij bond de kisten dicht en hield ze gereed. Maeandrius nu kwam en zag en meldde het aan Polycrates.

124. Deze dan, hoewel de waarzeggers het hem dringend ontrieden, dringend ook zijn vrienden, ging op reis daarheen, terwijl bovendien zijn dochter nog het volgende droomgezicht gezien had. Zij meende, dat haar vader in de lucht hing, en dat Zeus hem wiesch en de zon hem zalfde. Na dit gezicht gezien te hebben deed zij alles, dat Polycrates niet naar Oroetas zou reizen, en zelfs toen hij op den vijftigriemer ging, riep zij hem woorden van slechte verwachting na. En hij dreigde haar: als hij behouden terugkwam, zou zij langen tijd jonkvrouw blijven. Zij echter smeekte dat dat geschieden mocht; want liever wilde zij langen tijd jonkvrouw blijven, dan van haar vader beroofd zijn.