Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/323

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

125. En Polycrates, allen raad minachtend, voer naar Oroetas, en hij nam vele andere van zijn vrienden mede, en daaronder ook Democedes, zoon van Calliphon, een Crotoniaat, een geneesheer, en in de beoefening van zijn kunst een der besten van zijn tijdgenooten. Doch in Magnesia gekomen ging Polycrates smadelijk te gronde, op een wijze noch hem zelven noch zijn plannen waardig; want behalve de heerschers van Syracusae, is niet één der andere helleensche alleenheerschers waardig met Polycrates in heerlijkheid te worden vergeleken. Doch Oroetas, hem gedood hebbend op een wijze niet waard om vermeld te worden, kruisigde hem; maar zijn volgelingen, zoovelen er Samiërs waren, die zond hij weg, en ried hen hem dankbaar te wezen voor hun vrijlating; doch allen die vreemdelingen waren en dienaren in het gevolg, die hield hij en behandelde hij als slaven. Doch Polycrates, opgehangen, vervulde het gansche droomgezicht zijner dochter; want gewasschen werd hij door Zeus, wanneer het regende, en gezalfd werd hij door de zon, zelf uit zijn lichaam vocht uitdampend.

126. Polycrates' voortdurende voorspoed nam dan zulk een einde [zooals Amasis, de koning van Egypte hem voorzegd had[1]], doch niet veel tijd later achterhaalde ook Oroetas de wraak voor Polycrates. Want na Cambyses' dood en de regeering der Magiërs, bleef Oroetas in Sardes zonder eenigszins hulp te brengen aan de Perzen, die door de Meden van de heerschappij beroofd waren, doch in die verwarring doodde hij Mitrobates, den satraap in Dascyleüm, die hem over Polycrates beschimpt had, en hij doodde ook Cranaspes, den zoon van Mitrobates, mannen van aanzien onder de Perzen, en hij bedreef allerlei

  1. Deze woorden zijn volgens Stein niet van Herodotus.