lastig van toorn; toen hij dezen niet verduren kon, ging hij weg naar Aegina. En daar zich gevestigd hebbend, overtrof hij in het eerste jaar reeds de andere geneesheeren, hoewel hij geen inrichting had en geen der werktuigen, zoovele tot de kunst behooren. En in het tweede jaar huurden hem de Aegineten van staatswege voor een talent, in het derde de Atheners voor honderd minen, in het vierde Polycrates voor twee talenten. Zoo kwam hij dan te Samos, en niet het minst door dezen man kwamen de crotoniatische artsen tot roem; want dat geschiedde toen de Crotoniaten de eerste artsen in Hellas heetten, en de Cyrenaeërs de tweeden. In den zelfden tijd waren de Argiven vermaard als de eersten der Hellenen in de toonkunst.
132. Toen dan had Democedes in Susa Darius genezen en bezat een zeer groot huis en was tafelgenoot des konings geworden, en behalve het ééne, weder naar Hellas te gaan, ontbrak hem niets. En zoowel dan redde hij de Egyptische artsen, die den koning eerst behandeld hadden, en gespietst zouden worden, daar zij door den helleenschen arts overwonnen waren, dezen redde hij, daar hij den koning het vroeg, als ook redde hij den ziener uit Elis, die Polycrates gevolgd was en onder de slaven verwaarloosd daar was. En Democedes was een zeer groot ding bij den koning.
133. Niet veel tijd daarna geviel dit andere te geschieden. Atossa, de dochter van Cyrus en de vrouw van Darius, kreeg een gezwel aan de borst, en dit, later opengebroken, vrat verder om zich. Zoolang dit gezwel nu klein was, verborg zij het uit schaamte en zeide zij het aan niemand; doch toen het erg werd, ontbood zij Democedes en toonde het hem. En hij beloofde haar gezond te maken en dwong haar den eed af,