dat zij voorwaar hem de vergelding schenken zou, die hij haar mocht vragen; en niets zou hij vragen van zooveel tot schande strekt.
134. Toen hij haar daarna behandeld had en gezond gemaakt, toen dan, onderricht door Democedes, sprak Atossa in bed tot Darius de volgende rede: „o koning, gij hebt zoo groot een macht en zit neder, noch eenig volk, noch eenige macht voor de Perzen er bij winnende. Doch het betaamt, dat een die een man is en jong en meester van groote schatten, een schitterende daad verricht, opdat ook de Perzen leeren, dat een man hen beheerscht. Een dubbel voordeel dus is het u dat te doen, èn wijl de Perzen zullen inzien dat hun eerste een man is, èn dat zij in den oorlog zullen verkeeren, en niet, rust houdende, u lagen zullen leggen. Want nu nog zoudt ge een daad kunnen verrichten, zoo lang gij jong zijt; want met den groei van het lichaam groeit ook de moed, en oud wordt deze als gene oud wordt en verstompt voor alle ondernemingen." Zij nu sprak dit, wat haar geleerd was, en gene antwoordde het volgende: „o vrouw, alles zooveel ik zelf ook van zins ben te doen hebt gij gezegd; want ik heb het voornemen een brug te leggen van dit vaste land naar het andere en tegen de Scythen op te trekken; en in weinig tijd zal dit volbracht worden." Atossa zeide het volgende: „doch zie toe en laat af het eerst tegen de Scythen op te trekken, want dezen zullen van u zijn, wanneer ge wilt; doch trek om mij tegen de Hellenen op. Want naar wat ik met woorden daarvan vernomen heb, wilde ik gaarne Laconische dienaressen hebben en Argivische en Attische en Corinthische. En gij hebt een man, die van alle mannen het meest geschikt is, om u alles van Hellas te toonen en gids te zijn, hij, die uw voet behandeld heeft." En Darius