antwoordde: „o vrouw, daar ge wilt dat wij onze eerste poging met Hellas zullen maken, dunkt het mij beter te zijn, eerst Perzische verspieders met hem, dien gij genoemd hebt, tot genen te zenden, dat zij mogen nagaan en zien en alles over hen aan ons berichten; en dan, als ik alles nauwkeurig weet, zal ik mij tot hen keeren."
135. Dit zeide hij en met het woord deed hij ook de daad. Want zoodra de dag gekomen was, riep hij vijftien aanzienlijke Perzen en beval hen Democedes te volgen en de kustlanden van Hellas te bezoeken, en dat Democedes hun niet ontloopen zoude, doch in allen geval moesten zij hem weer terugbrengen. En toen hij genen dat opgedragen had, liet hij vervolgens Democedes zelven roepen en vroeg hem, dat hij de Perzen door gansch Hellas zou leiden en het hun toonen, en weder terugkomen; hij beval hem ook als geschenken voor zijn vader en zijn broeders al zijn vervoerbare have mede te nemen, beloovende andere dingen, veel meer, hem daarvoor te zullen geven; en bovendien zeide hij, een vrachtschip, met alle goede zaken gevuld, tot de geschenken bij te zullen dragen, dat met hem varen zou. Darius nu, naar mij schijnt, deed dit aanbod geenszins uit arglistige bedoeling. Doch Democedes, uit vrees dat Darius hem op de proef stelde, nam geenszins gretig al het gegevene aan, doch een deel van het zijne zou hij in het land teruglaten, zeide hij, opdat hij het had bij zijn terugkomst, doch het vrachtschip, dat Darius wilde voegen bij de gift aan zijn broeders, zei hij aan te nemen. En toen Darius nu ook aan dezen dat opgedragen had, zond hij hem naar de zee.
136. Zij nu gingen naar Phenicië en de phenicische stad Sidon en bemanden daar terstond twee triremen, en met dezen vulden zij ook een groot vrachtschip met