Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/33

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

dat behoor ik u te zeggen. De droom, zegt ge, zeide dat ik door een ijzeren speerpunt zou sterven; doch welke zijn bij een zwijn de handen, welke is de ijzeren speerpunt, dien gij vreezen zoudt? Want indien hij door een tand mij wilde laten sterven, of door iets anders, wat daarop gelijkt, dan moest gij doen wat gij doet, — nu echter door een speerpunt. Daar nu niet tegen mannen onze strijd is, laat mij."

40. Cresus antwoordt: „o zoon, voorwaar ge overwint mij, zóó den droom uitleggend; overwonnen dan door u verander ik mijn besluit, en laat u op de jacht gaan."

41. Na deze woorden ontbiedt Cresus den Phrygiër Adrastus en zegt hem na zijn komst het volgende: „Adrastus, ik heb u, getroffen door droevig onheil, dat ik u niet verwijt, gereinigd en u in mijn huis opgenomen, u al het noodige verschaffend. Nu dan, — want mij, die u het eerst goed gedaan heeft, behoort ge met goed te beantwoorden, — bewaker verzoek ik u van mijn zoon te wezen, die op de jacht gaat, dat niet roofzuchtige boosdoeners tot uw verderf zich vertoonen. Bovendien behoort ge ook zelf te gaan, waar ge schitteren kunt door daden; want dat erfdet gij en daarbij hebt ge de kracht."

42. Adrastus antwoordt: „O koning, niet zou ik in een ander geval naar zulk een kamp getrokken zijn, want noch past het, die door zulk een onheil gedrukt is, met gelukkige gezellen te gaan, noch is er het verlangen, en om vele andere redenen zou ik mij onthouden hebben. Nu echter, daar gij mij aanspoort en ik u ter wille moet wezen, — want ik behoor u met goed te beantwoorden —ben ik bereid dat te doen, en uw zoon, dien ge mij opdraagt te bewaken, verwacht dat hij ongedeerd zal terugkeeren, voor zoover het van den bewaker afhangt."

43. Toen hij met zulke woorden Cresus geantwoord