Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/332

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

op de markt in Memphis. Hem zag Darius, die speerdrager was van Cambyses en nog geenszins van groot aanzien, en hij begeerde den mantel, en liep toe en wilde hem koopen. Doch Syloson, ziende dat Darius den mantel hevig begeerde, zeide door goddelijke ingeving: „ik verkoop hem voor geen geld, doch geef hem om niet, indien hij zoo bepaald de uwe moet worden." En Darius prees dat en ontving het gewaad.

140. Syloson nu geloofde, dat hij het door zijn onnoozelheid verloren had. Doch toen na verloop van tijd Cambyses stierf, en de zeven tegen den Magiër opstonden en uit de zeven Darius de heerschappij kreeg, vernam Syloson, dat de heerschappij overgegaan was op dien zelfden man, wien hij zelf eens in Egypte op zijn verzoek het gewaad gegeven had. En naar Susa gereisd zette hij zich in den voorhof van het paleis des konings en beweerde Darius' weldoener te zijn. De poortwachter hoorde dit en meldde het den koning, en deze verbaasde zich en sprak tot hem: „en wie der Hellenen is de weldoener, wien ik dank schuldig ben, ik, die kort eerst het bestuur heb? Zoo goed als niemand toch van van hen is nog tot ons gekomen, en ik heb om zoo te zeggen geen enkele schuld aan een helleensch man. Maar toch, brengt hem binnen, dat ik wete, wat hij bedoelt, zoo sprekende." De deurwachter bracht Syloson binnen, en daar hij voor den koning stond, vroegen hem de tolken, wie hij was en om welke daad hij des konings weldoener beweerde te zijn. Syloson dan verhaalde alles wat met den mantel was geschied, en dat hij zelf die gever was. Daarop antwoordde Darius: „o edelste aller mannen, gij zijt het die mij, bezitter nog van geen macht, beschonken hebt, indien ook met iets gerings; maar toch zal mijn dankbaarheid niet geringer wezen, dan als ik