thans van iemand iets groots ontving; en daarvoor geef ik u onmeetlijk veel goud en zilver, opdat het u nimmer berouwe. Darius, den zoon van Hystaspes, wel gedaan te hebben." Syloson zegt daarop: „geef mij noch goud, o koning, noch zilver, doch red mijn vaderland Samos voor mij terug en geef het mij, dat thans, nu mijn broeder Polycrates door Oroetas gedood is, in de macht is van onzen slaaf: geef mij dat, zonder moorden en slaven maken. "
141. Darius dit hoorende zond een leger en als aanvoerder Otanes, een van de zeven mannen, en beval hem, wat Syloson verzocht, dat voor hem te volbrengen. En Otanes ging naar zee en bracht den tocht in gereedheid.
142. De macht over Samos had Maeandrius, de zoon van Maeandrius, die van Polycrates de heerschappij ter bewaking ontvangen had; en dezen, die de rechtvaardigste der mannen wilde zijn, viel dat niet ten deel. Want toen hem de dood van Polycrates was gemeld, deed hij het volgende. Eerst richtte hij een altaar op voor Zeus, den Bevrijder, en hij perkte daaromheen het heiligdom af, dat ook nu nog in de voorstad is; daarna, toen dit gereed was, riep hij een vergadering bijeen van alle burgers en zeide het volgende: „mij, zooals ook gij weet, zijn de scepter en de gansche macht van Polycrates toevertrouwd, en van mij nu is het om over u te heerschen. Doch wat ik in mijn naasten berisp, zal ik niet zelf doen als ik het laten kan. Want mij beviel Polycrates niet, heer zijnde over mannen hem zelven gelijk, noch een ander die zulke dingen doet. Polycrates nu heeft zijn noodlot vervuld, doch ik leg de heerschappij in uw midden neder en verkondig u gelijkheid voor allen. Zooveel echter meen ik als geschenk voor mij naar recht te verlangen, dat zes talenten, uit Polycrates' schat genomen, mij geworden,