Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/334

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

en daarbij kies ik voor mij zelven en mijn nakomelingen voor allen tijd het priesterschap van Zeus den Bevrijder: want voor hem heb ik zelf een tempel gebouwd en daarom dan ook geef ik u de vrijheid." Hij nu verkondigde dit den Samiërs, doch een van dezen stond op en zeide:„ doch gij zijt niet waardig over ons te heerschen, gij die laaggeboren zijt en van geen nut; doch veeleer zorg, dat ge rekenschap geeft van de gelden, die gij bestuurd hebt."

143. Dit zeide hij, en hij was een aanzienlijk man onder de burgers, van naam Telesarchus. Doch Maeandrius, overwegende, dat als hij de heerschappij varen liet, een ander in plaats van hem zichzelf alleenheerscher zou maken, besloot haar geenszins te laten varen, maar toen hij naar den burcht was teruggekeerd, ontbood hij ieder afzonderlijk, alsof hij voornemens was rekenschap af te leggen van het geld, en greep hen en sloeg hen in boeien. Zij nu waren in boeien, doch Maeandrius overviel daarna een ziekte. En zijn broeder, wiens naam Lycaretes was, in de verwachting dat gene sterven zou, en opdat hijzelf dan gemaklijker de zaken in Samos zou bedwingen, doodde alle gevangenen; want, naar het schijnt, wilden de Samiërs niet vrij zijn.

144. Toen zij in Samos aankwamen, de Perzen die Syloson terugbrachten, verhief niemand een hand tegen hen, en de aanhangers van Maeandrius en Maeandrius zelf beweerden bereid te zijn een verdrag te sluiten en uit het eiland te wijken. Toen Otanes daaraan zijn goedkeuring had gegeven en het verdrag gesloten, lieten de aanzienlijkste Perzen zetels plaatsen tegenover den burcht en zetten zich daarop.

145. Maeandrius nu, de alleenheerscher, had een half waanzinnigen broeder, wiens naam Charilaüs was; deze had iets misdaan, en was in de onderaardsche gevangenis