opgesloten, en toen hij dan het verhandelde vernam en door de gevangenis naar buiten keek, en hij de Perzen vreedzaam zag zitten, riep hij luid, bewerende, dat hij Maeandrius wilde spreken. En Maeandrius dit hoorende, beval genen los te maken en tot hem te brengen. Zoodra hij gebracht was, beschimpte en schold hij hem, en spoorde hem aan de Perzen aan te vallen, het volgende zeggende: „mij, o slechtste der mannen, mij, die uw broeder is en niets den kerker waardigs misdreven heeft, hebt ge geboeid en in een onderaardsch gat geworpen; doch de Perzen ziet ge uzelf verjagen en huisloos maken, en ge durft u niet te wreken, terwijl zij toch zoo licht te bedwingen zijn? Doch zoo ge hen vreest, geef mij de huurlingen, en ik zal hen straffen voor hun komst hierheen, en u zelf ben ik bereid uit het eiland te geleiden."
146. Zoo sprak Charilaüs. En Maeandrius nam den voorslag aan, niet naar ik geloof, wijl hij tot zulk een onverstand was gekomen, van te meenen, dat zijn eigen macht die des konings zou kunnen overwinnen, doch eer uit afgunst op Syloson, dat deze zonder moeite de stad ongedeerd ontvangen zou. Hij wilde daarom de Perzen vertoornen en de samische zaken zoo zwak mogelijk maken en zóó ze overgeven, wel wetend, dat de Perzen, indien hun kwaad werd gedaan, verbitterd zouden zijn op de Samiërs, en hij wist ook, dat voor hem zelf een veilige uittocht uit het eiland was, wanneer hij wilde, want er was een verborgen gang gemaakt van den burcht naar de zee loopend. Maeandrius zelf dan voer weg uit Samos, en Charilaüs wapende alle huurlingen, en de poort openwerpend, stortte hij hen op de Perzen, die niets van dien aard verwachtten, meenende dat alles overeengekomen was. Doch de huurlingen vielen aan en doodden de zeteldra