Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/337

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

zoo de samische vreemdeling uit den Peloponnesus vertrok, opdat hij niet of hemzelf of een ander der Spartanen overreden zou slecht te worden. En zij luisterden naar hem en zeiden Maeandrius aan te vertrekken.

149. De Perzen echter hadden Samos als met een net leeggesleept[1] en gaven het aan Syloson leeg van menschen; in later tijd evenwel trachtte de veldheer het zelf mede te bevolken, om een droomgezicht en om een ziekte, die hem aan de schaamdeelen was overkomen.

150. Toen de zeemacht naar Samos trok, waren de Babyloniërs opgestaan, en hadden zich zeer goed toegerust. Want in den tijd, dat de Magiërs heerschten en de zeven opstonden, in al dien tijd en die verwarring rustten zij zich toe voor het beleg, en op de een of andere wijze waren zij daarin onopgemerkt gebleven. Doch toen zij openlijk afvielen, deden zij het volgende. De moeders zonderden zij uit, en ieder koos uit zijn eigen huis één vrouw, die hij wilde: de overigen echter brachten zij allen bijeen en verstikten ze; die eene was door een ieder uitgekozen om zijn eten te bereiden; de anderen verstikten zij, opdat die niet hun levensmiddelen zouden opmaken.

151. Darius vernam dit en verzamelde zijn gansche macht en trok tegen hen op; en hij rukte naar Babylon en belegerde hen, die zich niets om het beleg bekommerden. Want de Babyloniërs klommen op de borstweringen van de muur, en dansten en bespotten Darius en zijn leger, en een van hen zeide het volgende woord: „wat zit gij daar, o Perzen, en gaat niet weg? Want dan zult ge ons veroveren, als de muilezels werpen." Dit zeide een der Babyloniërs, geenszins verwachtend, dat ooit een muilezel baren zou.

  1. Deze manoeuvre wordt beschreven VI. 31.