Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/338

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

152. Toen nu zeven maanden en een jaar reeds waren voorbijgegaan, werd Darius toornig en gansch zijn leger, daar het niet bij machte was de Babyloniërs te nemen. En toch had Darius alle listen en alle middelen tegen hen aangewend, doch ook zóó kon hij de stad niet nemen, hoewel hij andere listen beproefde, en zelfs ook die, waardoor Cyrus haar veroverd had, ook die beproefde hij. Doch de Babyloniërs waren vreeselijk op hun hoede, en hij was niet bij machte hen te veroveren.

153. Toen, in de twintigste maand, overkwam aan Zopyrus, zoon van Megabyzus, van een der zeven mannen die den Magiër hadden omvergeworpen, aan dezen Zopyrus, den zoon van Megabyzus, overkwam het volgende wonder: een van zijn voedseldragende muilezels wierp. Toen hem dit gemeld werd, en Zopyrus uit wantrouwen zelf het jong had gezien, verbood hij hun, die het gezien hadden, aan iemand het gebeurde te vertellen, en hij overlegde. En het scheen hem, dat volgens het woord van den Babyloniër, die in den aanvang gezegd had: dàn zou de vesting genomen worden, indien ooit de muilezels wierpen, — volgens deze uiting scheen aan Zopyrus Babylon neembaar te wezen. Want onder goddelijken invloed had gene gesproken, en bij hem had de muilezel geworpen.

154. Toen hem nu de inneming van Babylon beschoren scheen te zijn, ging hij tot Darius en vroeg dezen of hem er zeer veel aan gelegen was Babylon te nemen. En vernemende, dat gene het zeer verlangde, overwoog hij vervolgens, hoe hij zelf de veroveraar en de daad van hem zou zijn; want zeer worden bij de Pérzen de groote verdiensten met verhooging van aanzien geëerd. En hij besloot, dat hij door geen andere daad in staat zou wezen de stad te bemachtigen, dan door zichzelf te