Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/34

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

had, trokken zij daarna op, wel voorzien van uitgelezen jongelingen en honden. En bij den berg Olympus gekomen zochten zij het beest, en zij vonden het en in een kring er om staande, slingerden zij hun speeren er naar heen. Toen dan was het dat de gast, deze nu de gereinigde van moord en Adrastus geheeten, een speer werpende naar het zwijn, dit miste, doch trof den zoon van Cresus. En deze dan, getroffen door den speerpunt, vervulde het woord van den droom, en iemand ging om aan Cresus het gebeurde te berichten, en te Sardes gekomen meldde hij hem het gevecht en het lot van zijn zoon.

44. Doch Cresus, door den dood zijns zoons buiten zich zelven, jammerde nog méér, dat hij hem doodde, dien hij zelf van moord gereinigd had. En in fellen smart over zijn onheil riep hij heftig Zeus den Zoener aan, als getuige van wat hij van den gastvriend ondervonden had, en hij riep ook den Haardgod aan en den God der Vriendschap, dienzelfden god noemend: den Haardgod riep hij aan, omdat hij in zijn huis den vreemde ontvangend, onwetend den moordenaar van zijn zoon gevoed had; den God der Vriendschap, daar hij als waker hem meêzendend, hij allervijandigst hem bevonden had.

45. Daarop kwamen de Lydiërs en brachten het lijk, en daarachter volgde de moordenaar. En staande voor het lijk gaf hij zich aan Cresus, de handen uitstrekkend en verzocht hem te slachten op het lijk, zeggende zijn vorig onheil en hoe hij daarbij nog zijn reiniger ongelukkig gemaakt had, en hij niet meer leven mocht. En Cresus dit hoorende voelde medelijden met Adrastus, hoewel hij zelf in zulk een eigen ramp was, en zeide tot hem: „Ik heb, o gast, geheele voldoening van u, daar ge zelf u ter dood veroordeelt. Maar gij zijt mij niet de oorzaak van