vrij, en breng en plaats dan bij de dusgeheeten Chaldeeuwsche poort, anderen, vierduizend in getal. En laten noch de eersten noch de lateren andere verweermiddelen hebben dan dolken; die kunt ge hun laten. Na den twintigsten dag, laat terstond het overige leger zich rondom op de stad werpen, doch de Perzen, plaats die mij bij de dus geheeten Belische en Cissische poorten. Want naar ik meen, als ik groote daden gedaan heb, zullen de Babyloniërs mij de andere zaken toevertrouwen en zelfs ook de sleutels der poorten. Dan echter, zal het mij en den Perzen ter harte gaan, wat wij doen moeten."
156. Dit droeg hij op en ging naar de poort, zich omwendend, als ware hij in werkelijkheid overlooper. En van de torens zagen zij hem, die daarvoor daar geplaatst waren, en zij liepen naar beneden, en den eenen poortvleugel een weinig openzettend, vroegen zij wie hij was, en waarvoor hij kwam. Hij zeide hun, dat hij Zopyrus was en tot hen overliep. De poortwachters, toen zij dat hoorden, brachten hem naar den raad der Babyloniërs. En toen hij daar stond, jammerde hij, zeggende door Darius geleden te hebben wat hij door zichzelf geleden had, en hij had dat geleden, wijl hij genen geraden had zijn leger terug te trekken, daar er geen middel was de stad te nemen. „En nu, ging hij voort, kom ik voor u, o Babyloniërs, als een zeer groot goed, doch voor Darius en zijn leger en de Perzen een groot kwaad; want niet voor niet zal hij mij zoo verminkt hebben; en ik ken alle slingerwegen van zijn plannen."
157. Zooveel zeide hij. En de Babyloniërs een bij de Perzen hoog aanzienlijk man beroofd ziende van neus en ooren, bevlekt met geeselslagen en bloed, geloofden geheel dat hij de waarheid sprak, en als helper tot hen kwam; en zij waren bereid hem toe te vertrouwen, wat