hij vroeg, en hij vroeg een leger. Toen hij dit van hen gekregen had, deed hij wat hij met Darius had afgesproken. Want op den tienden dag voerde hij het leger der Babyloniërs naar buiten en sloot de duizend in, die hij aan Darius had opgedragen het eerst daar te plaatsen, en doodde dezen. En de Babyloniërs ziende, dat hij daden schonk aan zijn woorden gelijk, waren zeer verheugd en bereid hem in alles te volgen. Hij echter liet de afgesproken dagen vrij, en wederom voerde hij gekozenen der Babyloniërs naar buiten en doodde de tweeduizend van Darius' soldaten. En toen de Babyloniërs ook deze daad vernamen, hadden allen Zopyrus in den mond en prezen hem. En wederom liet hij de afgesproken dagen vrij en voerde genen uit naar de vooruit bepaalde plaats, en hij omsloot en doodde de vierduizend. Toen voorwaar was Zopyrus alles bij de Babyloniërs en hij werd door hen tot legerhoofd en muurbewaker aangesteld.
158. Doch toen Darius volgens de afspraak den aanval deed rondom de muur, toen dan openbaarde Zopyrus den geheelen aanslag. Want de Babyloniërs, op de muur geklommen, weerden den aanval van Darius' leger af, doch Zopyrus wierp de dusgeheeten Cissische en Belische poorten open en liet de Perzen in de stad. Die van de Babyloniërs, die het gebeurde zagen, dezen vluchtten naar den tempel van Zeus Belus; die het niet zagen, bleven ieder op hun plaats, totdat ook zij bemerkten verraden te zijn.
159. Babylon werd dan zoo ten tweeden male[1] veroverd. En toen Darius de Babyloniërs bedwongen had, liet hij zoowel de muur omverhalen en alle poorten af breken — want toen Cyrus Babylon vroeger nam,
- ↑ Verg. I. 191.