Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/344

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

gelijkend op fluiten, en die in de schaamdeelen der merries stekende, blazen zij met den mond; en terwijl de een blaast, melkt de ander. Zij beweren dit daarom te doen, wijl de aderen der merrie door het blazen opgevuld worden en zij dan de uiers hangen laat. Wanneer zij de melk gemelkt hebben, gieten zij ze in holle houten vaten en plaatsen rondom de vaten de blinde slaven, en laten hen de melk rondschudden. En wat er van boven zich afzet, scheppen zij af en achten dat meer waard, doch wat onder blijft, minder dan het andere. Daarom dan maken de Scythen een ieder, dien zij vangen, blind; want zij zijn geen landbouwers, doch zwervers.

3. Uit deze slaven dan en de vrouwen was een jong geslacht gesproten; en toen dezen hun afkomst geleerd hadden, trokken zij op tegen hen, die uit Medië kwamen. En vooreerst sneden zij hun land af, een diepe gracht gravende, die van het Taurische gebergte naar het Maeotische meer liep, waar dit het grootst is; en daarna schaarden zij zich tegenover de Scythen, die trachtten in te vallen en streden. Toen er meermalen een gevecht geweest was en de Scythen in den strijd niet de meerderen konden worden, zeide een van hen het volgende: „wat doen wij toch, mannen Scythen? Strijdend tegen onze slaven worden wij zelf gedood en geringer in getal, en genen doodend zullen wij voortaan over een geringer aantal heerschen. Nu daarom moeten wij, dunkt mij, lansen en pijlen laten, doch ieder den paardenzweep nemen en zoo op hen afgaan. Want zoolang zij ons met wapenen zagen, achtten zij zich ons gelijk en van gelijke afkomst; doch wanneer zij ons met zweepen in plaats van wapenen gezien hebben, zullen zij leeren, dat zij onze slaven zijn, en dat inziende, geen weerstand bieden."

4. De Scythen hoorden dit en deden geheel zoo; en