7. Zoo nu zeggen de Scythen, dat zij ontstaan zijn, en naar hun beweren zijn er na hun ontstaan in 't geheel aan jaren geweest, van den eersten koning Targitaüs tot Darius' overtocht tegen hen, niet meer dan duizend, doch slechts zooveel. Dat heilige goud bewaren de koningen zorgvuldig en ieder jaar komen zij er bij, en eeren het dan met groote offers. En wie het heilige goud heeft en bij het feest het onder den blooten hemel bewaakt en inslaapt, die zal, naar de Scythen zeggen, het jaar niet uitkomen, en daarom geven zij hem zooveel als hij zelf met zijn paard op één dag kan omrijden. Daar het land groot is, zou Colaxaïs drie rijken voor zijn zoons gesticht, en een daarvan het grootste gemaakt hebben, waarin het goud bewaard wordt. Wat boven dit land ligt, ten noorden van de hoogste bewoners, daarin, zeggen zij, is het niet mogelijk, noch te zien, noch er door te gaan, door de neervallende vederen; want en de aarde èn de lucht zouden vol met vederen zijn, en deze zijn het, die het uitzicht afsluiten.
8. Zóó nu verhalen de Scythen over zich zelven en over het boven hen gelegen land, doch de Hellenen, die aan den Pontus Euxinus wonen, het volgende. Heracles, toen hij de runderen van Geryones weg dreef, kwam in dat toenmaals onbevolkte land, dat nu de Scythen bewonen. Geryones woonde buiten den Pontus, en bewoonde het eiland, door de Hellenen Erytheia[1] geheeten, aan den Oceaan gelegen bij Gadira,[2] buiten de zuilen van Heracles. Dat echter de Oceaan beginnende bij den zonsopgang om de gansche aarde stroomt, beweren zij wel met woorden, doch bewijzen het metderdaad niet. Van-