Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/347

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

daar kwam Heracles naar het thans 't Scythische geheetene land, en, want hem overvielen storm en koude, gewikkeld in zijn leeuwenhuid sliep hij in, en zijn paarden, die weidden, verdwenen in dien tijd door goddelijke beschikking van onder het juk weg.

9. Toen Heracles ontwaakte, zocht hij, en het gansche land doorgeloopen, kwam hij eindelijk in het dusgeheeten land Hylaea. Daar vond hij in een grot een Echidna[1], een half-jonkvrouwlijk dubbelwezen, wier deelen boven de billen van een vrouw waren, daar beneden van een slang. En hij zag haar met verbazing en vroeg haar, of zij ergens paarden had zien zwerven; zij beweerde zelf ze te hebben en niet ze aan hem te zullen teruggeven, vóór hij haar bekend had; en Heracles bekende haar voor dat loon. En zij nu verschoof de teruggave van de paarden, verlangende zoo lang mogelijk met Heracles te leven, en hij wenschte ze te ontvangen en weg te gaan. Eindelijk gaf zij ze hem terug, zeggende: „deze paarden, hier heen gekomen, heb ik voor u gered en gij gaaft mij reddingsloon; want ik heb drie zonen van u. En dezen, wanneer zij opgegroeid zijn, wat moeten zij doen? Leg mij dat uit: of ik hen hier zal doen wonen (want over dit land heb ik zelf de macht) of hen tot u wegzenden." Zij dan vroeg dat, en hij, verhalen zij, antwoordde daarop: „wanneer gij de zoons tot mannen opgegroeid gezien hebt, doe dan het volgende en ge zult goed doen. Wien van hen gij dezen boog zóó spannen ziet en met dezen gordel gegord, maak dien bewoner van dit land; doch wie van hen de werken, die ik opdraag, niet volbrengt, zend dien uit het land. En dat doende

  1. d. i. eigenlijk adder.