noemd wordt, en na het dichten verdween hij ten tweede male.
15. Dat verhalen die steden, doch het volgende, weet ik, is den Metapontiners in Italië overkomen, tweehonderd en veertig jaren na de tweede verdwijning van Aristeas, zooals ik bij narekening in Proconnesus en Metapontium bevond. De Metapontiners beweren, dat Aristeas zelf hun in het land verscheen en beval een altaar voor Apollon op te richten en een standbeeld, den naam hebbend van Aristeas uit Proconnesus, daarbij te plaatsen; want Apollon, zeide hij, was tot hen alleen van alle Italioten[1] in hun land gekomen, en hij, die thans Aristeas was, had hem gevolgd; toen echter, toen hij den god volgde, was hij een raaf geweest. En na deze woorden was hij verdwenen, en de Metapontiners beweren, dat zij naar Delphi gezonden hebben en den god gevraagd, wat de verschijning van dien mensch beduidde. En de Pythia beval hen aan de verschijning te gehoorzamen, want dan zou het hun goed gaan. En zij namen het aan en volbrachten dat volkomen. En nu staat een standbeeld met den naam van Aristeas naast het altaar zelf van Apollon, en er om heen staan laurierboomen, het altaar echter is op de markt opgericht. Over Aristeas zij nu zooveel gezegd.
16. Wat boven het land ligt, waarover dit verhaal zich heeft uitgestrekt, daarover weet niemand nauwkeurig, wat het is; want van niemand toch die beweerde het van eigen zien te kennen, kan ik het vernemen. Want zelfs Aristeas niet, van wien ik kort te voren gewag maakte, ook deze beweert niet, dichtende in zijn gedicht, verder gekomen te zijn dan de Issedonen, doch over het daarboven gelegene verhaalde hij van hooren,
- ↑ Italioten waren de Zuid-Italiaansche Hellenen.