Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/353

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

reeds zwervende Scythen, die noch iets zaaien noch ploegen, en dit is geheel kaal van boomen, behalve Hylaea. Deze zwerfstammen bewonen het land naar den dageraad over een weg van veertien dagen, en het strekt zich uit naar de rivier de Gerrhus.

20. Over de Gerrhus dan ligt dan dat dusgeheeten koninklijke land en wonen de dapperste en talrijkste Scythen, en die ook de andere Scythen hun slaven achten. Deze reiken naar den middag tot het Taurische land, naar den dageraad tot aan de gracht, die immers de zonen der blinden groeven, en tot aan de handelsplaats aan het Maeotische meer, die Cremnoe heet; een ander deel van hen reikt tot aan de Tanaïs.[1] Het land naar den noordewind boven de koninklijke Scythen bewonen de Melanchlaenen, een ander volk en niet Scythisch. Boven de Melanchlaenen is het land poelen en leeg van menschen, voor zooveel wij weten.

21. Over de rivier de Tanaïs heen is het land niet meer Scythisch, doch de eerste der streken is van de Sauromaten, die bij den binnensten hoek van het Maeotische meer beginnende de streek naar den noordewind bewonen, een weg van vijftien dagen, en geheel kaal is die streek èn van wilde èn van tamme boomen; boven dezen wonen de Budiners, de tweede streek hebbend, en land bewonend geheel dicht begroeid met allerlei bosch.

22. Boven de Budiners naar den noordewind is er eerst een woestenij, over een weg van zeven dagen; na die woestijn, als men meer naar den oostewind heen buigt, wonen de Thyssageten, een groot en zelfstandig volk; zij leven van de jacht. Naast dezen in de zelfde gewesten wonen er, wier naam Iyrcen is, en ook deze

  1. d. i. de Don.