leven van de jacht op de volgende wijze. De jager klimt en verbergt zich in een boom, en die zijn er veel over het geheele land; een ieder heeft een afgericht paard in gereedheid op den buik bij zich liggen, om laag te zijn, en een hond. Wanneer hij nu van den boom het wild ziet, schiet hij, klimt op zijn paard en jaagt na, en de hond dadelijk achter hem. Boven dezen, als men naar den dageraad afslaat, wonen andere Scythen, van de koninklijke Scythen afgevallen en zoo in dat land gekomen.
23. Tot aan de streek van die Scythen nu is al het beschrevene land vlak en diep van bouwaarde; doch verderop is het steenachtig en ruw. En die ook veel van het ruwe land is doorgegaan, vindt aan den voet van hooge bergen menschen wonen, die allen van hun geboorte af kaalhoofdig heeten te zijn, mannen en vrouwen evenzeer; zij zijn stompneuzig, hebben groote kaken, en spreken een eigen taal; zij gebruiken de Scythische kleedij en leven van boomen; pontikon is de naam des booms, van welken zij leven, in grootte ongeveer zooals de vijgenboomen; hij draagt een vrucht gelijk aan een boon, doch zij heeft een pit. Wanneer zij rijp is geworden, persen zij ze door doeken, en er stroomt dik en zwart van af; de naam van het afvloeiende is aschy; dat lekken zij ook op of mengen het met melk en drinken dan; en van het dikke van den moer kneden zij koeken en die eten zij. Want vee hebben zij niet veel, want de weiden zijn daar geenszins goed. Iedereen woont onder een boom, des winters terwijl hij den boom met een witten vilten doek omspant, des zomers zonder vilt. Dezen doet niemand der menschen kwaad; want zij heeten heilig te zijn; ook hebben zij geen enkel krijgswapen. En zoowel zijn zij het, die de geschillen bij de omwonenden beslechten, als wordt