hem, die als balling tot hen vlucht, door niemand kwaad aangedaan. Hun naam is de Agrippaeërs.
24. Tot deze kaalhoofden nu is er veel zekere kennis over het land en de volken vóór genen. Want sommigen der Scythen gaan tot hen, en het is niet moeilijk van hen het te vernemen, en ook enkele Hellenen uit de handelsplaats van de Borysthenes en de andere handelsplaatsen aan den Pontus. De Scythen, die tot genen gaan, verrichten hun bezigheden met zeven tolken en in zeven talen.
25. Tot zoover dan kent men het land, doch wat boven de kaalhoofden is, daarvan weet niemand met zekerheid te verhalen. Want hooge, ontoegankelijke bergen snijden het land af, en niemand klimt ze over. Doch die kaalhoofden verhalen, voor mij niet geloofwaardig sprekende, dat op de bergen mannen met geitenpooten wonen, en wie dezen voorbij klimt, vindt andere menschen, die de zes wintermaanden slapen. Dit geloof ik gansch niet. Doch het land naar de dageraadszijde van de kaalhoofden wordt, zooals bepaald bekend is, door de Issedonen bewoond, doch onbekend is wat naar den noordewind ligt, boven de kaalhoofden zoowel als boven de Issedonen, behalve zooveel zij zelf er van verhalen.
26. De Issedonen leven, naar gezegd wordt, onder de volgende zeden. Indien iemands vader sterft, brengen alle verwanten vee aan, en daarna slachten zij dat als offer en snijden het vleesch aan stukken, en snijden ook den gestorvenen vader des gastheers in stukken, en mengen al het vleesch dooreen en zetten het als maal voor. Doch zijn hoofd scheeren zij en reinigen het en vergulden het, en daarna gebruiken zij het als offerbeeld, en jaarlijks groote offers er aan brengend. De zoon doet dat voor zijn vader, evenals de Hellenen het doodefeest vie-