Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/356

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

ren. Overigens heeten ook dezen goedaardig, en de vrouwen van gelijke macht als de mannen.

27. Dezen dan zijn nog bekend, doch daarboven, het zijn de Issedonen, die zeggen, dat daar éénoogige menschen en goudbewakende grijpen bestaan; van dezen hebben de Scythen het overgenomen en verhalen het, en van de Scythen hebben wij anderen het aangenomen en noemen hen op scythische wijze Arimaspen; want de Scythen noemen één arima, en oog spoe.

28. Geheel dit zoo beschrevene land is nu van een zoo strengen winter, dat er gedurende acht maanden een ondraaglijke koude is; in welken tijd ge door water uit te gieten geen modder maken zult, doch een vuur aanleggende zult ge modder maken. De zee is bevroren en geheel de Cimmerische Bosporus, en op het ijs trekken de Scythen, die binnen de gracht wonen, in menigte en drijven hun wagens er over heen tot aan de Sindiërs. Zoo dan houdt de winter acht maanden bij hen aan, en ook de vier overige is het daar koud. Deze winter verschilt in aard van alle winters in andere landen, wijl het daar in den regentijd niet noemenswaard regent, en het des zomers niet ophoudt te regenen. In den tijd, dat er elders donders zijn, zijn zij er daar niet, doch des zomers zeer sterk. Indien er des winters een onweer komt, geldt dat voor een wonderteeken, om zich over te verbazen. Evenals wanneer er een aardbeving geschiedt, hetzij des zomers, hetzij in den winter, geldt dat voor een teeken in Scythië. De paarden nu verdragen dien winter, doch muilezels noch ezels verduren hem in 't minst. In andere landen daarentegen sterven paarden, die in winterkoude staan, doch de muilezels en de ezels houden het uit.

29. En mij schijnt, dat ook het hoornlooze ras van de