Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/357

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

runderen daardoor geen hoorns krijgt daar. En voor mijn meening getuigt ook een woord van Homerus in de Odyssea[1], dat zóó is:

„Libyë ook, waar de lamm'ren al spoedig de hoornen doen groeien,"

waarin zeer juist gezegd is, dat in warme gewesten de hoorns snel ontstaan, doch in groote koude krijgt het vee gansch geen hoorns, of als zij groeien, groeien zij met moeite.

30. Dat nu geschiedt daar door de koude. En ik ben verbaasd (want van den aanvang af immers heeft mijn verhaal toevoegsels gezocht), dat er in het gansche land Elis geen muilezels kunnen zijn, terwijl toch de streek noch koud is, noch er een enkele andere duidelijke oorzaak bestaat. De Eleërs zelf zeggen, dat door een vloek bij hen geen muilezels kunnen geboren worden, doch wanneer de springtijd voor de merries gekomen is, drijven zij ze naar hun buren, en dan laten zij in het land van hun buren de ezels op haar gaan, tot de merries drachtig zijn geworden; daarna drijven zij ze weder terug.

31. Over de vederen, waarmede de Scythen beweren, dat de lucht vol is, en door welke zij niet bij machte zijn, noch verder in het land te zien, noch er door te trekken, daarover heb ik de volgende meening. Daar boven dat land sneeuwt het voortdurend, minder in den zomer, dan in den winter, zooals ook natuurlijk is. En hij nu, die wel eens van nabij de sneeuw dicht vallen zag, weet wat ik zeg: de sneeuw toch gelijkt op vederen, en daar nu de winter zóó is, is het deel van dit vaste land naar den noordewind onbewoonbaar. En met de vederen, geloof ik, zeggen de Scythen en de omwonende menschen bij gelijkenis de sneeuw. Deze dingen nu zijn als de verst-reikende berichten verhaald.

  1. Odyssee IV. 85.