Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/358

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

32. Over de Hyperboreesche mannen verhalen noch de Scythen iets, noch anderen van de daar wonenden, behalve dan de Issedonen. Doch naar ik vermoed, verhalen ook dezen niets, want dan zouden ook de Scythen het verhalen, gelijk zij ook over de éénoogigen vertellen. Maar door Hesiodus wordt over de Hyperboreërs gesproken, en door Homerus in de Epigonen, indien althans inderdaad Homerus dat gedicht heeft gemaakt.

33. Doch verreweg het meeste verhalen de Deliërs van hen, bewerende dat heilige gaven, in koornhalmen gebonden, van de Hyperboreërs naar de Scythen gedragen worden, doch van de Scythen nemen telkens de naburige volken ze over en dragen ze zoo ver mogelijk naar den avond tot de Adriatische zee, en van daar worden ze naar den middag gezonden, en het eerst van de Hellenen ontvangen de Dodonaeërs ze en van dezen dalen ze naar de Malische golf en trekken over naar Euboea, en stad stuurt ze naar stad tot aan Carystus, en van daar slaan zij Andrus over, want de Carystiërs voeren ze naar Tenus, en de Teniërs naar Delus. Zoo nu, verhalen zij, komen die heilige gaven naar Delus, en eerst zonden de Hyperboreërs om de gaven te brengen twee maagden, die de Deliërs Hyperoche noemen en Laodice ; en met deze zonden de Hyperboreërs voor haar veiligheid vijf burgers als begeleiders, hen, die nu Perphereërs heeten en in groote eer staan te Delus. Doch toen de gezondenen niet tot de Hyperboreërs terugkeerden, hadden dezen het zich zeer aangetrokken, indien hun telkens overkomen zou, dat zij de gezondenen niet weder bekwamen, en zoo dan de gaven, in koornhalmen gebonden, naar de grenzen dragend, hadden zij hun naburen met drang verzocht, vragende ze van hen zelf naar het volgende volk te dragen. En zoo dan verder gezonden komen de gaven,