naar verhaald wordt, in Delus. En ik zelf weet het volgende, dat gelijkelijk als met deze gaven geschiedt: de Thracische en Paeonische vrouwen, wanneer zij aan de heerscheres Artemis offeren, hebben de offergaven niet zonder koornhalmen.
34. En dezen nu weet ik dat zoo doen, doch voor die jonkvrouwen van de Hyperboreërs, in Delus gestorven, scheeren de dochters en de zonen der Deliërs zich het haar; de eersten snijden vóór hun huwelijk een lok af en wikkelen die om een spoel en leggen ze op het graf (dit graf is binnen in het heiligdom van Artemis aan de linkerhand van den intredenden, en er is een olijfboom op geplant), en zoovele knapen der Deliërs er zijn, ook dezen wikkelen een lok van hun haren om een zeker kruid, en leggen ze op het graf.
35. Dit eerbewijs ontvangen genen dan van de bewoners van Delus. Deze zelfden beweren, dat ook Arge en Opis, twee jonkvrouwen, van de Hyperboreërs langs die zelfde volken getrokken in Delus gekomen zijn, nog vroeger dan Hyperoche en Laodice. Dezen nu waren gekomen om aan Ilithyia[1] de opgelegde schatting te brengen voor de snelle baring der twee goden, en Arge en Opis, verhalen zij, waren tegelijk met de goden zelven[2] gekomen, en daarom werden aan genen andere eerbewijzen door hen gegeven; want de vrouwen verzamelen giften voor genen, en roepen hun namen aan in het gedicht, dat Olen, een Lycisch man, voor hen gemaakt heeft, en van hen dat leerend, zingen ook de eilanders en de Ioniërs het. Opis en Arge aanroepend en giften zamelend (deze Olen, uit Lycië gekomen, dichtte ook de andere oude zangen,