dag, waarop zij uit Sardes wegreisden, van dien dag af de volgenden dagen tellende, op den honderdsten dag de orakels zouden vragen, wat de koning der Lydiërs. Cresus, zoon van Alyattes, geviel te doen; en wat ieder der orakels antwoordde, dat zouden zij opschrijven laten, en naar hem brengen. Wat nu de andere orakels geantwoord hebben, wordt door niemand gemeld; doch in Delphi, zoodra de Lydiërs in den tempel kwamen om den god te raadplegen en het bevolene vroegen, zeide de Pythia in zesvoetige verzen het volgende:
de maten der waat'ren
En den stommen versta ik, en hoor ook
hem, die geen stem heeft.
Tot mij dringt nu de geur van den stevig
ompantserden schildpad.
Daar hij in ' t koperen vat tegelijk met
het lamsvleesch gekookt wordt.
Koper is onder zijn lijf, en koper ook
dekt hem van boven.
48. Dit antwoord van de Pythia lieten de Lydiërs opschrijven en gingen terstond naar Sardes. Toen ook de anderen uitgezondenen terug waren met de antwoorden, vouwde Cresus alle geschriften open en zag ze in. Geen een van hen beviel hem evenwel, doch toen hij dat uit Delphi gelezen had, vereerde hij het terstond en nam het aan, meenende dat het delphische orakel het eenige was, daar het had gevonden wat hij deed. Want toen hij naar alle kanten boden had gezonden om de orakels te raadplegen, lette hij den afgesproken dag goed op en deed het volgende: verzonnen