dit nauwe gedeelte is de tong, die Libye heet, zeer breed.
42. Ik verbaas mij daarom over hen, die afgrenzen en splitsen: Libye en Azië, en Europa; want niet gering is het verschil tusschen hen. Want in lengte strekt Europa, zich langs beide anderen uit, doch in de breedte schijnt het mij niet waard te zijn vergeleken te worden. Want Libye is klaarblijkelijk door water omgeven, behalve voor zooveel er van aan Egypte grenst, wat het eerst, voor zoover wij weten, door Necho, den koning der Egyptenaars, werd aangetoond; want deze, toen hij had opgehouden met den vaart te graven, die van de Nijl naar de arabische golf gaat, zond Phenicische mannen met schepen uit, hun opdragende terug te varen door de zuilen van Heracles tot in de noordelijke zee[1] en zoo naar Egypte te komen. De Pheniciërs dan, uitgezeild van de Roode zee bevoeren de zuidelijke zee; wanneer het herfst was geworden, gingen zij aan de kust en bezaaiden het land, waar zij telkens op hun vaart in Libye gevielen te zijn en wachtten de oogst af; en als zij het graan geoogst hadden voeren zij verder, zoodat zij na verloop van twee jaren in het derde jaar de zuilen van Heracles ombogen en in Egypte kwamen. En zij verhaalden, wat ik niet gelooven kan, doch een ander dan misschien, dat zij bij het omvaren van Libye de zon aan de rechterhand gehad hadden.
43. Zoo werd dit land voor het eerst gekend als omstroomd te zijn, en daarna zijn het de Carthagers, die dat zeggen, daar toch Sataspes, zoon van Teaspis, een Achaemenide, daarop uitgezonden. Libye niet omvoer, doch de lengte van den tocht vreezend en de verlatenheid, terugkeerde en den taak niet volbracht door zijn moeder hem op-
- ↑ d. i. Middellandsche zee.