Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/367

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

snijdt de rivier Cios midden den Haemus door en valt in haar. En de rivier Angrus stroomt uit de Illyriërs naar den noordewind en valt in de Triballische vlakte en in de rivier de Brongus, en de Brongus in de Ister; zoo neemt de Ister beide rivieren op, die beiden groot zijn. Uit het land boven de Ombricers gelegen stroomt de rivier de Carpis en een andere rivier de Alpis naar den noordewind en deze vallen in haar; want de Ister loopt door geheel Europa. Beginnend bij de Celten, die na de Cyneten onder alle volken van Europa het verst naar den zonsondergang wonen, en door geheel Europa stroomend werpt zij zich in de flanken van Scythië.

50. Daar deze genoemde rivieren nu en vele andere hun water samenwerpen, wordt de Ister de grootste der rivieren, daar in eigen water, de een naast de ander geplaatst, de Nijl door menigte overwint. Want in deze valt noch een rivier noch een enkele bron om haar me nigte te vergrooten. En om de volgende oorzaak, naar mij toeschijnt, stroomt de Ister zomer en winter met dezelfde grootte. 's Winters is zij zoo groot zij nu eenmaal is, en wordt slechts weinig grooter dan haar natuur is; want dat land wordt 's winters over 't geheel weinig beregend, doch heeft voortdurend sneeuwbuien. De sneeuw echter, die in den winter gevallen was, zeer veel zijnde, smelt 's zomers en stroomt van alle kanten in de Ister. Die sneeuw dan in haar gevloten, doet haar zwellen en vele en volle regens met haar; want het regent sterk in den zomer. Zooveel meer water nu de zon in den zomer dan in den winter tot zich optrekt, zooveel zijn de met de Ister zich mengende wateren des zomers grooter dan in den winter; en daar deze dingen aan elkander tegenovergesteld zijn, ontstaat er evenwicht, zoodat de Ister zich altijd even groot vertoont.