den aan het vee verschaft, en de uitnemendste en meeste visschen, en zeer aangenaam is om gedronken te worden en zij stroomt helder langs troebele wateren, en krachtig groeit de vrucht bij haar, en waar het land niet bezaaid is, zeer hoog gras. Aan haar monding stolt van zelve onnoemelijk veel zout, en groote visschen zonder graten, die zij antacaeën noemen, verschaft zij ter inzouting, en vele andere zaken, waard te bewonderen. Tot aan het land der Gerrhen nu, waarheen de vaart veertig dagen duurt, weet men dat zij van den noordewind stroomt, doch hoogerop, door welke menschen zij stroomt, weet niemand te zeggen, doch zij komt klaarblijkelijk door een woestenij stroomend in het land der landbouwende Scythen; want deze Scythen wonen over een vaart van tien dagen langs haar. Van die rivier alleen en van de Nijl kan ik de bronnen niet aangeven, en, geloof ik, niet een enkel der Hellenen. En de Borysthenes komt in haar sroomen dicht bij de zee en de Hypanis vermengt zich met haar, in het zelfde moeras vallende. Wat tusschen deze rivieren als een spriet[1] lands ligt, wordt het voorgebergte van Hippolaüs genoemd, en daarop is een tempel van Demeter opgericht; voorbij den tempel bij de Hypanis wonen de Borystheneïten.
54. Dit nu over deze rivieren; na dezen is er een andere, vijfde, rivier, wier naam Panticapes is. Ook deze stroomt van den noordewind en uit een meer, en het land tusschen deze en de Borysthenes bewonen de landbouwende Scythen; dan valt zij in het land Hylaea, en daar doorgetrokken vereenigt zij zich met de Borysthenes.
55. De zesde rivier is de rivier de Hypacyris, die
- ↑ Eigenlijk : scheepsnavel