komende uit een meer, midden door de zwervende Scythen stroomend bij de stad Carcinitis in zee valt. Hylaea rechts latend en den dusgeheeten Achillesbaan.
56. De zevende rivier, de Gerrhus, scheidt zich van de Borysthenes op die plaats des lands, tot waar de Borysthenes gekend wordt. Zij scheidt zich dus af op die plaats des lands, en heet, zooals ook de streek zelf. Gerrhus, en naar zee stroomende grenst zij het land der zwervende en dat der koninklijke Scythen af, en valt in de Hypacyris.
57. De achtste is dan de rivier de Tanaïs,[1] die van boven af uit een groot meer gekomen, in een nog grooter meer valt, het Maeotische geheeten, dat de koninklijke Scythen en de Sauromaten afgrenst. In die Tanaïs werpt zich een andere rivier, met name Hyrgis.
58. Zóó dan zijn de Scythen met die belangrijke rivieren toegerust, en het gras dat voor het vee groeit in Scythië is van alle gras, dat wij kennen, het meest galverwekkend; en die de beesten opensnijden, kunnen nagaan, dat het er zoo mede is.
59. In de grootste dingen dan zijn zij wel voorzien, en voorts zijn de gebruiken bij hen ongeveer van den volgenden aard. Zij vereeren alleen de volgende goden: Hestia vooral, bovendien Zeus en Gaea,[2] meenende dat Gaea de vrouw van Zeus is, en na dezen Apollon en Aphrodite Urania en Heracles en Ares. Dezen nu vereeren alle Scythen, doch de dusgenaamde koninklijke Scythen offeren ook aan Poseidon. In het Scythisch heeten Hestia Tabiti, en Zeus, zeer terecht naar mijn meening, met den naam Papaios,[3] Gaea Api, Apollon