62. Aan de andere goden dan offeren zij aldus en deze dieren, doch aan Ares op de volgende wijze. In ieder gewest der drie rijken[1] hebben zij een heiligdom voor Ares opgericht van den volgenden aard. Bossen rijs zijn opgehoopt over ongeveer drie stadiën in lengte en in breedte, doch in hoogte kleiner; daar bovenop is een vierkant vlak gemaakt, en drie der zijden zijn steil, doch aan de eene kan men naar boven stijgen. Ieder jaar stapelen zij honderd en vijftig wagens takkebossen er op, want hij zakt voortdurend in door het ruwe weder. Op dezen hoop wordt in ieder gewest een oud ijzeren zwaard geplaatst, en dat is het beeld van Ares. Aan dat zwaard brengen zij jaarlijksche offers van vee en paarden, en zelfs offeren zij hem nog het volgende meer dan aan de andere goden. Zoovelen der vijanden zij levend gevangen nemen, van iedere honderd mannen offeren zij één man, niet op dezelfde wijze als het vee, doch op een andere. Want nadat zij wijn geplengd hebben op de hoofden, slachten zij de mannen boven een vat en daarna brengen zij dit boven op den takkehoop en gieten het bloed over het zwaard. Dit dan dragen zij naar boven, doch beneden bij het heiligdom doen zij het volgende. Van de geslachte mannen houwen zij al de rechter schouders af, met de armen, en werpen die in de lucht; dan, als zij de overige offerplechtigheden verricht hebben, gaan zij heen. De arm ligt, waar zij gevallen is, en het lichaam afzonderlijk.
63. Deze dan zijn hun offeringen. Zwijnen echter gebruiken zij nooit, noch plegen zij ze in hun land te kweeken, gansch niet.
64. De zaken van den krijg zijn aldus bij hen in-
- ↑ 1)Verg. hoofdstuk 7 en verder.