den ander verkregen heeft. Indien vreemden, die hij van gewicht acht, tot hem komen, brengt hij die schedels aan en verhaalt er bij, hoe, die zijn verwanten waren hem krijg aandeden en hijzelf hen overwon, en als een dappere daad beschouwen zij dat.
66. Eenmaal in ieder jaar mengt iedere hoofdman van een gewest in zijn eigen gewest een mengvat wijns, waarvan de Scythen drinken, die vijanden geveld hebben; die dat niet verricht hebben, proeven niet van dien wijn, doch zitten op zijde, ongeëerd, want dat is bij hen de grootste smaad. En zoovelen van hen zeer vele mannen gedood hebben, dezen hebben ieder voor zich twee bekers en drinken daaruit tegelijk.
67. Waarzeggers zijn er velen bij de Scythen, die met vele wilgentakken aldus waarzeggen. Nadat zij groote hossen van takken bijeengebracht hebben, leggen zij ze op de aarde en halen ze ieder uiteen, en den eenen tak na den anderen neerleggend, zeggen zij spreuken, en terwijl zij die zeggen, verzamelen zij de takken weder en brengen ze weder één voor één bij elkander. Deze waarzeggerij is hun van hun vaderen overgeleverd. Doch de Enareërs, de man-vrouwen,[1] beweren dat Aphrodite hun de waarzegging gegeven heeft; en zij zeggen dan waar uit de bast der linde. Nadat zij de bast in drieën gespleten hebben, windt hij de strooken om zijn vingers, ontwikkelt ze weder en zegt waar.
68. Wanneer de koning der Scythen ziek is geworden, ontbiedt hij drie mannen van de waarzeggers, die het meest in aanzien zijn, en dezen zeggen waar op de gezegde wijze, en gewoonlijk zeggen dezen dit ongeveer, dat die of die bij de haarden des konings meineed heeft
- ↑ Vergel. I. 105.