Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/379

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

fen zou. En de Scythen verlustigen zich in het dampbad en juichen. Dit dient hun voor bad; want met water toch wasschen zij het lichaam in 't geheel niet. Hun vrouwen wrijven op een ruwen steen stukken hout van cypres- en ceder- en wierookboomen fijn, er water bijgietend, en als dat stukgewreven goed dik is geworden, besmeeren zij zich geheel het lichaam en het gelaat er mede; en tegelijk krijgen zij daar een goeden geur van, tegelijk ook nemen zij den volgenden dag het deeg weg en zijn schoon en blinkend.

76. Ook dezen schuwen het vreeslijk vreemde gebruiken aan te nemen, zoowel die van anderen, als het meest de Helleensche, zooals Anacharsis bewees, en ten tweede male weder Scyles. Want Anacharsis, in de eerste plaats, toen hij veel landen bereisd had en daar veel wijsheid had getoond, ging weder heen naar de streken der Scythen, en door den Hellespont varend, hield hij bij Cyzicus op; en toen, — want hij bevond, dat de Cyzicenen voor de Moeder der Goden zeer schitterend feest vierden, — toen deed Anacharsis de gelofte aan de Moeder: indien hij behouden en gezond in zijn land zou terugkeeren, dan zou hij offeren op dezelfde wijze als hij Cyzicenen had zien doen, en een nachtlijk feest instellen. Toen hij nu in Scythië gekomen was, begaf hij zich naar de streek Hylaea[1] geheeten, (deze is bij den Achilles-baan, en geheel bezet met allerlei boomen) daarheen dan begaf zich Anacharsis, en voltrok het gansche feest ter eere der godin, een trommel in de hand en behangen met beelden. En een der Scythen, die bemerkt had wat hij deed, meldde het aan den koning Saulius; en deze, toen hij ook zelf gekomen

  1. Zie IV. 18.