thiërs, wegende zes en een half talent, want vierdehalf talent smolt er van weg[1].
51. Toen Cresus deze zaken voltooid had, zond hij ze naar Delphi, en daarbij tevens deze andere dingen: twee mengvaten groot van omvang, een gouden en een zilveren, van welke het goudene rechts stond van den ingang des tempels, het zilveren aan de linkerhand. Ook dezen werden tijdens den tempelbrand verplaatst, en het goudene staat nu in de schatkamer der Clazomeniërs, wegende negendehalf talent en nog twaalf mina's, het zilveren echter in den hoek van den vóórhof, en houdt zes honderd amforen in, want er wordt door de Delphiërs wijn in gemengd bij het feest van de Theophaniën.
De Delphiërs zeggen, dat dit vat het werk is van Theodorus den Samiër en ik geloof het, want mij schijnt het werk niet het eerste het beste te zijn. En hij stuurde ook vier zilveren vaten, die in de schatkamer der Corinthiërs staan, en hij wijdde twee wijwatervaten, een gouden en een zilveren, van welke op het goudene geschreven is „Van de Lacedaemoniërs", die beweren dat het een wijgeschenk van hen is, nieť terecht dit zeggende; want ook dit is van Cresus, maar een van de Delphiërs heeft dat er op geschreven om de Lacedaemoniërs te behagen, wiens naam ik weet, doch niet zal vermelden. Doch de knaap, door wiens hand het water loopt, is van de Lacedaemoniërs, van de beide wijwatervaten echter geen een. Ook vele andere wijgeschenken van geen bepaalde bedoeling, zond Cresus met de andere tegelijk en ronde zilveren schalen en ook een gouden standbeeld van een vrouw, drie ellen groot, dat, naar de Delphiërs zeggen, de beeltenis is van Cresus' bakkerin.
- ↑ De tempelbrand had plaats in 548 v. Chr.