die de menschen tot razernij brengt. Toen Scyles in den bacchischen dienst ingewijd was, liep een der Borystheneïten naar de Scythen en zeide: „Ons nu lacht gij uit, o Scythen, omdat wij Dionysus vieren en de god ons grijpt, nu heeft die god ook uwen koning gegrepen en hij viert mede en raast door den god. Indien ge mij niet gelooft, volgt mij en ik zal hem u toonen." De voornaamsten van de Scythen volgden, en de Borystheneïet bracht hen heimelijk op den toren. En toen Scyles met den feeststoet voorbij ging en de Scythen hem dansen zagen, achtten zij dit een groote ramp en heengegaan deelden zij aan het heer mede, wat zij gezien hadden.
80. Toen daarop Scyles weder naar buiten trok naar zijn verblijfplaats, verkozen de Scythen als hoofd zijn broeder Octamasades, geboren uit de dochter van Teres, en stonden tegen Scyles op. Toen hij vernam wat tegen hem geschiedde en de reden, waarom het voorviel, vluchtte hij naar Thracië. Maar Octamasades dit vernemende, trok op tegen Thracië. Toen hij bij de Ister was gekomen, gingen de Thraciërs hem tegemoet, doch toen zij zouden gaan strijden, zond Sitalces een boodschapper naar Octamasades, zeggende: „ Waarom moeten wij elkander bevechten? Gij zijt de zoon van mijn zuster en hebt mijn broeder. Geef mij dien terug en ik lever u Scyles uit. Wil toch den strijd niet wagen, en ik ook niet." Dit boodschapte Sitalces hem, want bij Octamasades was een broeder van Sitalces, die hem ontvlucht was. Octomasades keurde dit goed, en zijn eigen oom aan Sitalces gevende, kreeg hij zijn broeder Scyles. En Sitalces ontving zijn broeder en trok terug, doch Octamasades hieuw Scyles terstond het hoofd af. Zoo dan bewaren de Scythen hun eigen gebruiken, en zulke straffen geven zij hun, die de zeden van vreemde landen aannemen.