81. Het aantal der Scythen heb ik nooit met zekerheid kunnen leeren, doch ik hoorde verschillende berichten over het getal, want zij zouden zeer velen en dan weer zeer weinigen wezen, voor zoover zij Scythen zijn. Doch zooveel toonden zij aan mijn oogen. Tusschen de rivier de Borysthenes en de Hypanis is een streek, en deze heet Exampaeus, waarvan ik wat vóór deze dingen gewag maakte, bewerende, dat daarin een bron van bitter water is, waaruit het water stroomt en de Hypanis bitter maakt. In die streek staat een metalen vat, in grootte wel zesmaal meer dan het mengvat aan den mond van den Pontus, dat Pausanias, de zoon van Cleombrotus, daar wijdde.[1] Wie dat nooit gezien heeft, dien zal ik het aldus beschrijven. Het vat in Scythië houdt licht zeshonderd amphoren in,[2] en in dikte is dat Scythische vat zes duimen. Dit nu, verhaalden de menschen van het land, was van pijlpunten gemaakt. Want toen hun koning, die Ariantas heette, toen deze het aantal der Scythen wilde weten, beval hij dat iedere Scyth een enkelen punt van zijn pijl zou aanbrengen: die niet zou brengen, dien dreigde hij met den dood. En er werd hem dan een groot geweld van pijlpunten gebracht en hij besloot daarvan een gedenkteeken te maken, en achter te laten. Daarvan dan maakte hij dat metalen vat en wijdde het in dat Exampaeus. Dit hoorde ik over het aantal der Scythen.
82. Wonderen heeft dat land niet, behalve dan de rivieren, verreweg de grootsten en in aantal de meesten. Doch wat er nog meer waard is om zich over te verbazen, ook buiten de rivieren en de grootte der vlakte, zal