gezegd worden. Zij laten de trede van Heracles in een rots zien, die gelijkt op den voetstap van een man, en in grootte twee ellen is, bij de rivier Tyres. Dat is nu zoo, doch ik zal teruggaan tot het verhaal, dat ik aanvanklijk ging verhalen.
83. Terwijl Darius zich toerustte tegen de Scythen en boden uitzond met bevelen, voor de eenen om het landleger, voor de anderen om schepen aan te brengen, aan nog anderen den Thracischen Bosporus te overbruggen, drong Artabanus. Hystaspes' zoon, een broeder van Darius, bij hem aan geenszins een veldtocht tegen de Scythen te maken, de moeilijkheid om de Scythen aan te grijpen uiteenzettend. Maar hij overreedde genen immers niet, het goede radend, dus hield hij op, en gene, toen alles gereed was, voerde zijn leger uit Susa.
84. Toen verzocht Oeobazus, een Pers, aan Darius, daar hij drie zonen had en zij allen meetrokken, dat een hem thuis mocht blijven. En gene zeide hem, daar hij een vriend was en iets matigs vroeg, zouden alle zonen tehuis blijven. Oeobazus nu was zeer verheugd, meenende, dat zijn zoons van den veldtocht bevrijd waren, doch gene beval aan de daarmede belasten al de zoons van Oeobazus te dooden.
85. En dezen dan verslagen zijnde, bleven daar op de plaats, doch Darius, toen hij uit Susa weggetrokken in Chalcedonië aan den Bosporus was gekomen, waar de brug geslagen was, daar steeg hij in een schip en voer naar de dusgeheeten Cyaneeën,[1], die volgens de Hellenen vroeger drijvend waren, en gezeten op de bergspits beschouwde hij den Pontus, die aanschouwenswaard
- ↑ De donkere rotsen aan den noordelijken mond van den Bosporus.