87. Toen Darius den Pontus bezien had, voer hij terug naar de brug, wier bouwmeester Mandrocles van Samus was. En ook den Bosporus bezien hebbend, plaatste hij daar twee zuilen op van witten steen, en sneed daar woorden in, op de eene Assyrische, op de andere Helleensche, zeggende alle volkeren zoovelen hij medevoerde: en hij voerde allen mede, over welke hij heerschte. Van dezen werden, behalve het scheepsvolk, zeventig tienduizenden geteld met de ruiters; schepen waren er zeshonderd bijeengebracht. Deze zuilen brachten de Byzantiërs later naar hun stad, en gebruikten ze voor het altaar van de Orthosische Artemis, behalve één steen: deze werd bij den tempel van Dionysus in Byzantium achtergelaten, vol Assyrische letters. De plaats van den Bosporus, waar koning Darius de brug liet leggen, is, naar ik meen te kunnen opmaken, midden tusschen Byzantium en den tempel aan den mond.
88. Darius daarna, verheugd over de schipbrug, begiftigde haar bouwmeester. Mandrocles van Samos, met de grootste mildheid; daarvan liet Mandrocles als eerstelingsgave afbeeldingen schilderen van de gansche bebrugging des Bosporus', en van koning Darius, die op zijn troon zit, en zijn leger, dat overtrok; dat liet hij schilderen en wijdde het in den Hera-tempel,[1] het volgende er bij schrijvende:
Mandrocles aan de godin Hera dit teeken zijus werks;
Zelf verwierf hij een krans, doch roem voor de mannen van Samos,
Koning Darius' bevel ganschlijk volbrengend naar wensch.
- ↑ Op Samos.