Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/388

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

92. Darius van daar getrokken kwam bij een andere rivier, wier naam Artescus is, en die door de Odrusen stroomt. Bij deze rivier nu aangekomen, deed hij het volgende. Hij wees aan zijn leger een plaats en beval iederen man in het voorbijgaan één steen te leggen op die aangewezen plaats. Toen het leger dit volbracht had, liet hij daar groote hoopen van steenen achter en voerde zijn leger verder.

93. Voor hij bij de Ister kwam, bedwong hij het eerst de Geten, die aan de onsterflijkheid gelooven. Want de Thraciërs, die Salmudessus bezitten en boven Apollonia en de stad Mesambria wonen. Cyrmianen geheeten en Nipsaeërs, gaven zich zonder strijd aan Darius over, doch de Geten, die zich hardnekkig verzetten, werden terstond onderworpen, hoewel de dapperste en de meest vreedzame der Thraciërs.

94. Hun geloof aan de onsterflijkheid is het volgende. Zij gelooven niet dat zij sterven, doch dat de omgekomene naar den god Salmoxis gaat, sommigen van hen noemen den zelfden Gebeleïzis. Om de vijf jaar zenden zij telkens een door het lot aangewezenen van hen als bode naar Salmoxis, dragen hem op, wat zij dan verzoeken, en zenden hem aldus. Sommigen van hen, daartoe aangesteld, houden drie werpspietsen vast, anderen grijpen hem, die naar Salmoxis wordt gezonden, bij de handen en de voeten, en tillen hem hoog in de lucht en slingeren hem op de spietsen. Indien hij omkomt op de speeren gevallen, schijnt de god hun gunstig te zijn; indien hij niet sterft, geven zij den bode de schuld, bewerende, dat hij een slecht man is, en hem beschuldigend zenden zij een anderen weg. De opdracht geven zij den bode, daar hij nog leeft. Deze zelfde Thraciërs schieten ook tegen donder en bliksem omhoog naar den hemel en