dreigen den god, meenende, dat er geen andere god is dan de hunne.
95. Naar ik verneem van de aan den Hellespont en den Pontus wonende Hellenen, was deze Salmoxis een mensch en in slavernij te Samus, een slaaf van Pythagoras, zoon van Mnesarchus. En daar was hij vrij geworden en had veel schatten verworven, en daarmede keerde hij terug naar zijn land. Daar nu de Thraciërs armoedig leefden en met weinig beschaving, bouwde deze Salmoxis, die de Ionische leefwijze kende en fijnere zeden dan de Thracische, — hij had toch met Hellenen omgegaan en onder de Hellenen met niet den zwaksten wijze. Pythagoras —, hij bouwde dan een mannenzaal, waarin hij de eersten der burgers ontving en onthaalde en hen leerde, dat noch hij zelf, noch zijn drinkgenooten, noch hun nakomelingen ooit sterven zouden, doch zij zouden op zulk een plaats komen, waar zij altijd zouden leven en alle goede dingen bezitten. Terwijl hij nu het opgenoemde deed en zoo sprak, in dien tijd liet hij een onderaardsche woning maken. Toen hij dit gebouw geheel gereed had, verdween hij uit de Thraciërs, en afgedaald naar beneden in die onderaardsche woning, leefde hij drie jaren, en genen misten hem en betreurden hem als gestorven, doch in het vierde jaar verscheen hij aan de Thraciërs, en zoo werd hun geloofwaardig, wat Salmoxis gezegd had.
96. Dit nu beweren zij, dat hij gedaan heeft. Doch ik ben over hem en over die onderaardsche woning noch ongeloovig, noch ook al te zeer geloovig, doch meen, dat deze Salmoxis vele jaren vroeger dan Pythagoras geleefd heeft. Doch hetzij Salmoxis een mensch was, hetzij hij een landsgod der Geten is, hij vare wel.
97. Dezen nu, van zulk een zede zijnde, toen zij door de Perzen onderworpen waren, volgden het overige leger.