Bovendien wijdde Cresus ook de halssieraden van zijn vrouw en haar gordel.
52. Deze dingen zond hij naar Delphi, en aan Amphiaraüs wijdde hij, toen hij van zijn dapperheid en lijden gehoord had, een schild geheel van goud en een speer geheel van massief goud, met de schacht zoowel als de punt van enkel goud, welke zaken nog in mijn tijd beiden in Thebe lagen en wel in den thebaanschen tempel van den ismenischen Apollo.
53. Den Lÿdiërs, die deze geschenken naar de tempels zouden brengen, droeg Cresus op de orakels te vragen of Cresus tegen de Perzen zou optrekken en of hij een bevriend leger van mannen er bij zou voegen. Toen de Lydiërs gekomen, waarheen zij gezonden waren, die wijgeschenken gewijd hadden, vroegen zij de orakels, zeggende: „Cresus, de koning der Lydiërs en van andere volkeren, meenende, dat deze orakels de eenigen zijn onder de menschen, heeft u geschenken geschonken waardig uwe vindingen, en nu vraagt hij u of hij tegen de Perzen zal optrekken en of hij eenig heer van mannen zich bondgenoot zal maken." Zij nu vroegen dit, en van beide orakels kwamen de spreuken op hetzelfde neer, daar zij aan Cresus voorspelden, dat als hij tegen de Perzen zou optrekken, hij een groot rijk zou doen vallen; en zij rieden hem zich tot vrienden te maken, wie hij van de Hellenen de machtigsten bevond te zijn.
54. Toen Cresus de overgebrachte spreuken vernomen had, verheugde hij zich sterk over die antwoorden, en vast hopende, dat hij het rijk van Cyrus zou doen vallen, zond hij wederom gezanten naar Pytho en begiftigde de Delphiërs, na onderzoek naar hun aantal, iederen man met twee staters van goud. De Delphiërs gaven daarvoor aan Cresus en de Lydiërs het recht om vóór anderen