Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/390

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

En toen Darius en het landleger met hem bij de Ister waren gekomen, en allen waren overgetrokken, beval Darius de Ioniërs de brug te verbreken en hem over het vaste land te volgen met het leger van de schepen. En de Ioniërs wilden gaan af breken en het bevolene doen, doch Coës, zoon van Erxandrus, aanvoerder der Mytilenaeërs, zeide tot Darius het volgende, eerst gevraagd hebbend of het genen aangenaam was een meening aan te hooren van die ze wilde aanbieden: „o koning, gij wilt toch naar een land trekken, waarin geen enkele bebouwde streek noch een bewoonde stad zal te zien zijn: gij daarom, laat die brug blijven op haar plaats, en laat als bewakers ervan hen achter, die ze gelegd hebben. En indien het ons naar wensch gaat, als wij de Scythen gevonden hebben, dan hebben wij een terugweg; indien wij hen echter niet vinden kunnen, is de aftocht veilig voor ons; want ik vrees geenszins, dat wij in den strijd door de Scythen overwonnen zullen worden, doch veeleer, dat wij hen niet zullen kunnen vinden, en ronddwalend schade zullen lijden. En allicht zou iemand beweren dat ik om mijzelf zoo spreek, opdat ik blijven moge, doch ik breng de meening, die ik voor u, o koning, de beste bevond: zelf evenwel zal ik u volgen en zou ongaarne achterblijven." Darius verheugde zich zeer over den voorslag en antwoordde met het volgende: „ gastvriend Lesbiër, als ik behouden in mijn huis teruggekeerd ben, kom dan zeker tot mij, dat ik uw schoonen raad met schoone daden mogen beantwoorden."

98. Zoo sprak hij, en zestig knoopen in een riem afbindend, riep hij de alleenheerschers der Ioniërs tot een bespreking en zeide het volgende: „mannen Ioniërs, de vroegere meening over de brug uitgesproken, laat ik varen,