doch neemt dezen riem en doet het volgende. Zoodra ge mij tegen de Scythen hebt zien optrekken, begint bij dien tijd en maakt iederen dag één knoop los. Indien ik in dien tijd niet hier ben, doch de dagen der knoopen verstreken zijn, vaart dan terug naar uw eigen land. Doch tot zóólang, daar zoo nu mijn nieuw besluit is, bewaakt de brug, en besteedt allen ijver aan haar behoud en bewaking. Zóó doende zult ge mij grootelijks welgevallig zijn." Darius nu dit gezegd hebbend, haastte zich verder.
99. Thracië steekt verder dan het Scythische land in zee uit; en terwijl het eerste land een bocht maakt, begint dan Scythië en daarin valt de Ister, haar mond naar den zuid-oostewind wendende. Van de Ister af zal ik nu de kuststreek van het eigenlijke Scythië ter berekening der grootte gaan aangeven. Van de Ister af is er reeds het eigenlijke Scythië, zich uitstrekkend naar den middag en den zuidewind, tot aan de stad Carcinitis geheeten. Het land daarop volgend, dat naar dezelfde zee gaat, bergachtig en in den Pontus uitstekend, bewoont het Taurische volk tot aan den dusgeheeten Ruwen Chersonesus, en deze loopt in de zee naar den dageraad. Want twee deelen[1] der Scythische grenzen gaan langs de zee, het eene aan de middagzijde, het andere naar den dageraad, evenals bij het Attische land; en de Tauriërs bewonen bijna evenzoo het Scythische land, als indien een ander volk, en niet de Atheners, de Sunische spits bewoonde, (als deze hooger in de zee uithep), ik meen de streek van de Thorische tot aan de Anaphlystische gemeente, — ik zeg dat, voorzoover men die kleine zaken met groote mag vergelijken: zóó is het Taurische land.
- ↑ Scythië is vierkant, zie c. 101.