Wie het Attische land niet heeft omgevaren, dien zal ik het anders duidelijk maken: het is even als indien een ander volk en niet de Iapygen een stuk van Iapygië[1], te beginnen bij de Brentesische haven tot Tarente, hadden weggenomen en dezen punt bewoonde. Deze twee gevallen noemend, zeg ik tevens vele andere gelijke gevallen, op welke het Taurische land gelijkt.
100. Voorbij het Taurische land bewonen reeds Scythen het land dat boven de Tauriërs ligt, en verder wat zich langs de zee naar den dageraad uitstrekt, en ook het land aan de avondzijde van den Cimmerischen Bosporus en het Maeotische meer tot aan de rivier de Tanaïs, die in den hoek van dat meer valt. Van de Ister nu af wordt Scythië, wat aangaat het hoogerop, het 'tbinnenland inloopende deel, begrensd vooreerst door de Agathyrsen, daarna door de Neuriërs, dan door de Androphagen, en eindelijk door de Melanchlaenen.
101. Scythië nu, als een vierhoek beschouwd, met twee kanten aan zee gelegen, is in beide richtingen even groot, en die het land inloopt, en die langs de zee gaat. Want van de Ister naar de Borysthenes[2] is een weg van tien dagen, van de Borysthenes naar het Maeotische meer wederom tien, en van de zee het land in naar de Melanchlaenen, die boven de Scythen wonen, is een weg van twintig dagen. De dagreis wordt door mij op tweehonderd stadiën gerekend. Zoo zouden dan de dwarse zijden van Scythië vierduizend stadiën bedragen en de steile zijden, die het land ingaan, wederom zooveel stadiën. Dat land dan is zoo groot in uitgestrektheid.
102. De Scythen overwogen hebbend, dat zij alleen