niet bij machte waren het leger van Darius in open strijd terug te drijven, zonden boden tot hun naburen, en de koningen van dezen kwamen bijeen en beraadslaagden, daar een groot leger aanrukte. De bijeengekomen koningen waren die van de Tauriërs en de Agathyrsen en de Neuriërs en de Androphagen en de Melanchlaenen en de Gelonen en de Budiners en de Sauromaten.
103. Van dezen hebben de Tauriërs de volgende zeden. Zij offeren aan de jonkvrouw de schipbreukelingen en wie zij van de Hellenen op zee vangen op de volgende wijze. Nadat zij de toebereidselen gemaakt hebben, slaan zij hem met een knods op het hoofd. Sommigen nu zeggen, dat zij het lichaam van de steilte naar beneden werpen (want de tempel is op een steilte gebouwd) doch het hoofd aan een paal slaan, anderen zeggen hetzelfde van het hoofd, doch beweren dat zij het lijf niet van de steilte stooten, doch in den grond verbergen. Die godheid nu aan wie zij offeren is volgens de Tauriërs zelf Iphigenia, dochter van Agamemnon. Met de vijanden, die zij in hun handen krijgen, doen zij het volgende. Ieder houwt hun het hoofd af en draagt het naar huis en plaatst het op een paal boven zijn huis ver in de hoogte en vooral boven den schoorsteen. Zij beweren toch dat de hoofden als wachters van het geheele huis in de lucht hangen. Zij leven van roof en krijg.
104. De Agathyrsen zijn de weelderigsten der menschen en dragen het meeste goud aan zich; zij hebben de vrouwen in gemeenschap, opdat zij broeders zullen zijn van elkander en allen verwanten zijnde niet in nijd noch in vijandschap tegenover elkander zullen leven. In de andere zeden komen zij de Thraciërs nabij.
105. De Neuren hebben Scythische zeden, en één geslacht voor den veldtocht van Darius gebeurde het