hun, dat zij geheel hun land om slangen moesten verlaten, want hun land bracht vele slangen te voorschijn, doch nog meer overvielen er hen van hooger op uit de woestijnen, totdat zij in den druk geraakt hun land verlieten en met de Budiners samen woonden. Deze menschen schijnen toovenaars te zijn. Want er wordt verhaald door de Scythen en door de Hellenen, die in Scythië wonen, dat eenmaal in ieder jaar ieder van de Neuren voor weinige dagen een wolf wordt en dan wederom tot zijn vroeger uiterlijk terugkeert. Mij nu overtuigen zij niet, zoo verhalende, doch zij verhalen het niet minder daarom, en zweren er op, als zij verhalen.
106. De Androphagen hebben de meest woeste zeden van alle menschen, zij kennen geen recht noch hebben zij eenige wet. Zij zijn zwervend, dragen een gewaad, gelijkend op het Scythische, hebben een eigen taal, en zijn, de eenigen van al dezen, menscheneters.
107. De Melanchlaenen dragen allen zwarte kleederen, waarnaar zij ook hun naam hebben, en zij leven onder Scythische zeden.
108. De Budiners zijn een groot en talrijk volk, allen zeer heloogig en rood van huid. Er is bij hen een houten stad gebouwd; de naam van deze stad is Gelonus; van de muur is iedere zijde dertig stadiën, hoog en geheel van hout, en hun huizen zijn van hout en hun tempels, want daar zijn ook heiligdommen voor de Helleensche goden op Helleensche wijze ingericht met beelden en altaren en godshuizen van hout, en zij vieren iedere drie jaar feest voor Dionysus en op hacchische wijze juichen zij. Want de Gelonen zijn van oorsprong Hellenen, doch verdreven uit de handelsplaatsen gingen zij wonen onder de Budiners, en zij spreken een taal, deels Scythisch, deels Helleensch. Doch de Budiners hebben niet