de schepen en trokken naar het bewoonde land. En de eerste paardenkudde, die zij ontmoetten, die roofden zij, en op dezen rijdende plunderden zij het land der Scythen.
111. De Scythen echter konden de zaak niet begrijpen, want zij kenden noch de taal, noch de kleederen, noch het volk, doch zij waren in verbazing, van waar genen gekomen waren, en zij hielden hen voor mannen van denzelfden leeftijd, en voerden dan krijg tegen hen. Uit dat gevecht kregen zij lijken in hun macht, en zoo zagen zij, dat het vrouwen waren. Zij beraadslaagden daarom en besloten op geen wijze hen voortaan te dooden, doch de jongsten van zichzelf op genen af te sturen, in getal zooveel als zij gisten, dat genen waren. De jongelingen moesten dicht bij genen kampeeren, en doen, wat ook de anderen doen zouden, en indien zij hen najoegen, niet strijden doch ontvluchten; indien zij ophielden, weder terug gaan en in de nabijheid kampeeren. Dit overlegden de Scythen, verlangende uit die vrouwen kinderen te krijgen.
112. De jongelingen nu werden uitgezonden en deden het bevolene. En toen de Amazonen bemerkten, dat zij zonder eenige vijandschap waren gekomen, lieten zij hen gaan, en met iederen dag rukte kamp dichter bij kamp. En de jongelingen hadden geheel niets, evenals de Amazonen, behalve wapenen en paarden, doch zij leefden hetzelfde leven als genen, jagende en roovende.
113. Op den middag nu deden de Amazonen het volgende: zij gingen verspreid, alleen of met twee, en dan verder van elkander, zich verspreidend ter ontlasting. En de Scythen bemerkten dit, en deden hetzelfde. En een van hen wilde een van de eenzamen bekennen, en de Amazone stiet hem niet weg, doch liet hem toe haar te gebruiken. En zij kon niet spreken (want zij